De zon ging al onder, toen een nauwelijks zichtbaar paadje mij op de doorgaande weg bracht. Achter berkentoppen zag ik daken, waarboven verleidelijk rookwolkjes kringelden. Ik hield mijn pas in en keek om mij heen: was het de moeite waard om ergens om onderdak voor de nacht te vragen of zou het beter zijn om een of andere schuur op te zoeken en daarin te overnachten? Het dorp leek groot. Waarschijnlijk stikte het hier van de NKVD'ers. 's Avonds iets te eten vinden zou sowieso niet lukken. Morgenochtend daarentegen, kon ik wel werk vinden in ruil voor wat aardappelen! Maar het vroor dat het kraakte en tegen de ochtend kon de vorst zakken naar min 20, of nog lager!En terwijl ik daar stond te twijfelen, viel mijn blik op een verbleekt spandoek met de tekst: 'Vorosjilov Kolchoze'. Vele kolchozen waren opgedragen aan Vorosjilov, maar om de een of andere reden scheen het mij toe dat het juist deze was, waar de Bessarabiërs naartoe waren gestuurd toen zij van de boot gehaald waren - destijds, toen wij over de Ob vervoerd werden. Ook mijn goede kennis, landbouwexpert Syrboelenko was met zijn gezin naar een Vorosjilovkolchoze gestuurd. Misschien wel naar deze?
"Wonen in uw kolchoze ook Bessarabiërs?" vroeg ik bij het eerste het beste huis.
"Ja, dat klopt, de nietsnutten! Maar niet in deze kolchoz, maar in die daarginds, achter de omheining van het dorp, in een schuur aan de rand van het bos.
Inderdaad was iets van de weg af achter de wei een half in elkaar gezakte schuur zichtbaar, waar de sneeuw bijna tot aan het dak reikte. Zo bevond ik mij volkomen onverwachts temidden van mijn landgenoten. En toen bleek dat het Paaszaterdag was, zodat ik Pasen 'onder ons' kon vieren. Mijn God, wat was dat een treurige Paasavond!
Eerst kwamen alle Bessarabiërs die daar woonden bij elkaar: slechts 32 man, inclusief kinderen. Maar al snel zocht eenieder zijn eigen hoekje op, om te proberen in slaap te vallen voordat alle warmte van het snel afkoelende ijzeren kacheltje was verwaaid. Wij, het gezin Syroeblenko en ik, bleven achter. Ze waren het wel en ze waren het niet. Ik zag nergens het vrolijke, levenslustige vrouwtje dat altijd uit volle borst vrolijke liedjes zong; in de stille, verschrikte jongens die zich verlegen tegen hun vader aandrukten, kon ik met geen mogelijkheid de beide 'dokters Faust' herkennen, die altijd tegelijk spraken en de meest onmogelijke pyrotechnische en chemische experimenten uitvoerden.
Maar het allermoeilijkste was het om naar Grisja Syrboelenko zelf te kijken. Was dit die vrolijke, scherpzinnige gesprekspartner vol grappen en anekdotes, maar nu verouderde, door verdriet aangeslagen en verwarde man, die voortdurend naar zijn hoofd greep ... Nee, deze man kwam mij totaal onbekend voor!
"Zegt u mij, Eufrosinia Antonovna, is dit werkelijk de sovjetmacht, waarvoor ik mij zo hartstochtelijk heb ingezet, uit naam waarvan ik heb gestreden? Nee, er is sprake van een of andere vreselijke vergissing ... Ik hoop, dat de mensen dat ooit zullen begrijpen, maar ik zal het niet meer meemaken.
De kinderen huiverden en drukten zich tegen hun vader aan. Zijn vrouw probeerde de stemming wat te verbeteren: "Weet u, Frosja, het is Paasavond. De Vasten is voorbij. Helaas! Het enige wat we hebben zijn twee aardappeltjes en een handjevol geplette haver.
Terwijl dit 'Paasmaal' op stond, zaten wij zachtjes te praten. Rondom ons sliep iedereen, want honger is makkelijker te verdragen als je slaapt.In gedachten ging ik terug naar het jaar 1941. Die Paasnacht, een jaar eerder, had ik in mijn eentje doorgebracht bij papa's graf. Het was vochtig geweest, het rook er naar rottende bladeren, en ik zat daar met mijn handen om het kruis. Toen het vrolijke, triomfantelijke luiden van de klokken mij had bereikt, kuste ik het kruis en fluisterde: 'Christus is opgestaan!' Ik wendde mijn gezicht in de richting van het westen, waar mijn moeder zich bevond, en herhaalde deze oude, hoopvolle groet: 'Christus is opgestaan!'
Had ik er toen aan gedacht waar ik mij een jaar later zou bevinden? Nee, toen dacht ik aan Pasen het jaar daarvoor, in 1940, toen wij verwachtten dat er oorlog zou uitbreken met Hongarije. De toekomst blijkt altijd anders dan wij ons haar voorstellen.
"Kijk eens wat een traktatie!" sprak Fenja Syroeblenko, en zette een vloeibare, ondoorzichtige soep op de oude lade die als tafel dienst deed.
Te oordelen naar de gulzigheid waarmee de kinderen begonnen te eten, was ik niet de enige die deze ratatouille op waarde schatte.














