
En zo had ik mij in de oceaan gestort. Aanvankelijk werd ik gedreven door die ene wanhopige gedachte: niet sterven voor de ogen van Chochrin! Ik liep naar het oosten (de maan kwam op aan de kant van de Soejga, achter mijn rug). En vervolgens ... Ik moet bekennen dat ik mij ook nu nog uitstekend herinner wat en hoe ik het gedaan heb, maar ik vind het moeilijk te zeggen waarom en waarvoor. Op het moment dat ik over het zwarte wak heenstapte, was ik niet op zoek naar de dood; en toen ik het gevoel had dat mama's hand mijn haar aanraakte en ik mij de woorden van de oude Kravtsjenko voor de geest haalde: 'Iemand bidt heel vurig voor jou!' ontwaakte in mij de wens om te vechten voor mijn leven, en voor de overwinning. Maar het was allemaal niet bewust. En al klinkt het raar, misschien hielp het feit dat ik koorts had en ik in halfbewusteloze toestand voortliep.
Wanneer en waarom ik afsloeg in westelijke richting, weet ik niet meer. Waarschijnlijk omdat de wind uit het oosten kwam, en het makkelijker was voor mij om met de wind in de rug te lopen. Dat jaar, in de winter van 1941-9142, lag er volgens de oude bewoners zeldzaam weinig sneeuw: slechts een centimeter of zestig.
"Jullie Bessarabiërs hebben geluk," lachten de Siberiërs en vertelden over sneeuwhoogten van twee meter. Voor een vluchteling die geen ski's had, was dit inderdaad een meevaller. Bovendien had zich, zoals gebruikelijk aan het eind van de winter, al een vrij compacte sneeuwkorst gevormd, zodat op sommige plaatsen de sneeuwlaag een uitgemergeld wezen als ik wel kon houden. Natuurlijk niet in de wildernis, waar de sneeuw rul was, maar aan de rand van het bos en bij rivierbeddingen, waar de wind de sneeuw weg had geblazen.

Ik koos de makkelijkste weg, langs rivierbeddingen, die daar, in het gebied tussen Ob en de Jenisej waar het terrein omhaag gaat, allemaal naar het westen stromen. Maar denk niet dat het allemaal vanzelf ging, als tijdens een wandelvakantie. Verre van dat! De bevroren riviertjes, waar maar heel weinig water in zat, lagen vol rotzooi, omgewaaide bomen en drijfhout, en daaronder lagen complete boomstammen die halsoverkop in het water waren gestort. Soms blokkeerden ze de hele bedding. Op andere punten verbreedde de rivier zich tot een meer of een moeras zodat ik de bedding niet meer kon volgen en baande ik mij een weg dwars door de wildernis over de boomstammen.
De weg was verschrikkelijk; niet voor niets vergelijkt men de taiga wel met de zee en wordt er gezegd: wie niet in de taiga is geweest heeft nog nooit tot God gebeden.
Waarom ik in die hopeloze dagen nooit angst of wanhoop voelde? Het was alsof ik al een punt gepasseerd was, waar alle lijden irreëel wordt. Niet het fysieke, maar het psychologische lijden, waartoe ook de wanhoop behoort.
Waar ik de kracht vandaan haalde om door te gaan?
Als ik aan het eind van mijn krachten ging liggen, ingegraven in de sneeuw, voelde ik voortdurend dat de Dood heel dicht in mijn buurt de wacht hield. Waarschijnlijk dwong dit mij om wakker te worden, op momenten dat ik mij op het randje van de eeuwige slaap bevond.
Wat gaf mij de kracht om op te staan en verder te gaan?
Ze zeggen dat de allerergste morele kwelling die van de hoop is; aan de andere kant: zonder hoop is er geen leven. Ik heb het idee dat ik dacht: ik moet nergens op hopen, maar proberen kan altijd.
Heel veel later, toen ik mij al in gevangenschap bevond, ten tijde van eindeloze ondervragingen, probeerde ik te achterhalen: wie gaf mij raad, wie leidde mij in mijn daden, wie maakte mij bekend met de omgeving, waar ik mijn weg doorheen moest vinden? En toen kwam ik erachter dat ik van de enige kans op redding gebruik had gemaakt!
1) Ik ging op pad op 28 (of 26) februari, toen de ergste vorstperiode al achter de rug was, maar aan de andere kant het moeras nog niet gevaarlijk was, omdat het mos en groen dat deze onder de sneeuw bedekte, weliswaar al week was, maar het gewicht van een mens nog wel hielden, terwijl de zogeheten 'ramen' nog bedekt waren met ijs.
2) Ik liep rechtstreeks naar het westen, zonder af te buigen naar het noorden of het zuiden, waar hout gekapt werd, en men mij had kunnen opmerken en aanhouden. Als ik ergens was afgeslagen had ik in nog geen drie etmalen de Ob bereikt. Daar is de afstand hemelsbreed 150 kilometer.

Het is onbegrijpelijk hoe ik erin geslaagd ben de Grote Verschroeide Vlakte over te komen. Ik had er verhalen over gehoord. Het is een soort legende. Ik zal vertellen wat ik erover weet. Aan het begin van de vorige eeuw tijdens een droge zomer woedde er een grote bosbrand. Naar men zegt had een man uit jaloezie het huisje van zijn broer in brand gestoken, waarbij hij zelf ook om het leven kwam. Bovendien verbrandde een stuk taiga van 250 bij 130 werst. Of het nu kwam door de vervloeking van Kain of door iets anders, maar loofbomen wilden er niet meer groeien, en de dennen die vroeger het hele oppervlak hadden bedekt, wilden niet vergaan. Langzaam maar zeker veranderde het hele gebied in een eindeloos moeras: er monden 300 riviertjes in uit, en niet één ontspringt er. De zwartgeblakerde boomstronken staan er nog steeds. En elk groepje boomstronken doet denken aan mensen die zich niet aan het leven vasthouden, maar aan de dood. Geen wild dier dat ernaartoe rent, geen vogel die zich er waagt, en de mens heeft er al heel lang niets meer te zoeken. En wanneer hij er toevallig verzeild raakt, keert hij niet meer terug.
Maar dit alles vernam ik veel en veel later, voorlopig liep ik al meer dan een etmaal over het pokdalige ijs, en rondom mij bewogen vreemde zwarte figuren: geen dieren, maar ook geen mensen.
Ze deden nog het meest denken aan worstelende naakte negers. Ik begreep wel dat het verschroeide boomstronken waren, knoesten, stammen. Maar de illusie was totaal. Als ik stilstond en nauwlettend keek, waren het zwartgeblakerde boomstronken; maar als ik mij bewoog, kwam ook zij in beweging, verstrengelden hun handen en bogen zich voorover in een geluidloos gevecht.
Bovendien scheen het mij toe, dat ik niet alleen was: iemand liep achter mij aan en fluisterde mij iets heel belangrijks toe. Maar zodra ik erop begon te letten, hoorde ik het gefluister niet meer. In mijn ooghoek zag ik vaag een wazige figuur, die achter mij aanliep, maar als ik mij met een ruk omdraaide, was er niemand.
Je zou denken dat ik het bestierf van angst. Maar ik vond het absoluut niet eng.
Integendeel, ik had het idee dat ik van buitenaf naar die meelijkwekkende figuur keek die in haar eentje over de Grote Verschroeide Vlakte dwaalde. Waarheen? Ja, wie zal het zeggen: waarheen?