zondag 28 november 2010

Een heldere ochtend en een kudde paarden

Toen ik 's ochtends voorzichtig mijn hoofd uit mijn schuilplaats stak, moest ik mijn ogen dichtknijpen, alsof ik noit eerder oogverblindende witte sneeuw had gezien! De zon stond al hoog, het was helder en stil, en de vers gevallen sneeuw schitterde in een spel van miljarden heldere pailletjes.

Ik bleek de avond ervoor bijna het hele dorp te zijn doorlopen, en naar noordelijke maatstaven was het een groot dorp, en de hooiberg - mijn nachtasiel - stond bijna aan de rand: een, twee huizen, een schuur, en paar hooischelven, en dat was het. Daarna begon de taiga. Maar dat was in de verte, bijna aan de horizon, achter de omgeploegde akkers, die naar plaatselijke begrippen zeer omvangrijke waren. Op de voorgrond lag een groot meer, bedekt met sneeuw. Op plaatsen waar de wind de sneeuw had weggeblazen, glinsterde blauwig ijs.
Wat was dit een vredig plaatje! Terwijl ik ervan stond te genieten, werd mijn aandacht getrokken door gehinnik, een kudde paarden ijlde dwars door de diepe sneeuwheuvels naar de drenkplaats. Voor het eerst en voor het laatst tijdens mijn omzwervingen hier in Siberië zag ik goed doorvoede, verzorgde paarden, en mijn hart trok samen van zoete nostalgie die ik altijd ervoer bij hun aanblik (van paarden, en niet van paardenskeletten, overtrokken met vel, die ik later meermaals zou zien).
Hoeveel herinneringen, hoeveel vertrouwde taferelen snelden aan mijn geestesoog voorbij! Zie hoe die merrie water drinkt, terwijl ze af en toe haar hoofd opzij draait om een blik te werpen op haar veulen, dat ijverig zuigt met gebogen halsje en van genoegen met zijn sultanstaart zwaait; en daar die machtige hengst die het hoofd hoog opheft om zijn kudde te overzien.
Tegen de achtergrond van de heldere sneeuw leken zij donkerbruin dan wel ravenzwart.

Besluitvaardig klauter ik naar buiten, breng mezelf en mijn bagage in orde, en waad, de sneeuw tot aan mijn middel - naar de poort: mensen die zo goed voor hun paarden zorgen, kunnen niet slecht zijn! Ik heb het niet koud, het vriest niet hard. Ik ben goed uitgerust, maar wat heb ik een honger!

vrijdag 26 november 2010

Bijna erbij!

Ik had me niet vergist: algauw tekende zich een stal af met een poort, een omheining, daarachter een hooiberg, en iets verderop een huis. Groot, met vijf muren. Het venster lichtte zo vriendelijk op! Ik liep de ruime gang in, groette en vroeg om een onderkomen voor de nacht. Ik werd nors ontvangen, maar ze joegen me niet weg. Een vrouw wees me een plaats op de grond naast de kachel.
Ik maakte het me gemakkelijk, en een aangename warmte verspreidde zich door mijn vermoeide, verkleumde lichaam. Zelfs de honger leek mij niet meer zo knagend, ik kon mij immers verwarmen!
Ik werd overmand door slaap, en zakte weg in een weldadig gevoel van rust, dat aan de slaap voorafgaat, toen ik gefluister hoorde: de vrouw legde iets uit aan de kerel die op de kachel lag. Slechts afzonderlijke woorden, flarden van zinnen bereikten mij.
'Ga zachtjes naar buiten, vertel ... Ze zullen haar pakken terwijl ze slaapt', hoorde ik. Onmiddellijk was mijn slaperigheid verdwenen!
Ik luisterde oplettend hoe de kerel naar buiten ging, het schuiven van de grendel ... daar stond hij al buiten. Wie ging hij halen? Met zijn hoevelen zouden ze komen? Wanneer? Ik kon niet langer dralen. De vrouw was al verdwenen achter de scheidingswand. Ik maakte van mijn deken een prop, greep mijn rugzak en vloog onhoorbaar naar de gang. Koortsachtig tastte ik naar de houten schuif met het touwtje, duwde de deur open ... De wind joeg een handvol sneeuw in mijn gezicht en huilde spottend: 'Siberische gastvrijheid!'

Trillend stond ik buiten en boog me over naar de gevlochten omheining. In elk huis brandden lichtjes achter de ramen, maar ze schenen me nu geen van alle meer vriendelijk toe.
De wind rukte de deken uit mijn handen, ik had geen tijd gehad hem weg te stoppen. De sneeuwstorm smeet met kracht de sneeuw in hopen tegen mijn gezicht. Het was zwaar en bitter om afstand te doen van de gedachte aan de warmte, aan de hoog opgestookte kachel, en ik besloot nog eens mijn geluk te beproeven en klopte op een volgende deur. Die zat op slot. Ik hoorde dat er iemand achter de deur in de gang stond te luisteren. Ik klopte harder. Het bleef stil. Toen zei ik: 'Laat me in Godsnaam binnen om warm te worden! Ik ben alleen en ben de weg kwijt geraakt ...'
'Ga weg!' antwoordde een jongen met overslaande stem.
'Er is een sneeuwstorm. De weg is niet te zien. En het is al nacht ... Zeg tegen je vader dat hij me binnenlaat. Je kunt een mens toch niet laten doodvriezen!'
'Papa zit in de banja. Maar hij laat je er ook niet in. We mogen niemand binnenlaten! Er zwerven 'snachts heel wat deserteurs rond. We hebben het bevel die allemaal over te dragen aan de NKVD!'
Dat was het dus! Nou, als de NKVD zich bezighield met de heropvoeding van de Siberiërs, was succes verzekerd! Hun opvoedingsmethoden werkten zonder meer - dat voelde ik intuïtief, hoewel ik pas aanzienlijk later in staat was de verschrikking van die methoden in zijn totaliteit te bevatten.
Ik draaide mij om en liep langs de weg zonder naar de verlichte ramen te kijken: daarachter was geen menselijke warmte, maar heerste enkel angst en wantrouwen. Het een veroorzaakte het ander.
Ten slotte zag ik wat ik zocht: een hooimijt. Ik zwaaide over de omheining, en waadde naar de hooimijt, de sneeuw tot aan mijn middel, ik groef de sneeuw weg en ging aan het werk. Gelukkig was het hooi nog niet platgelegen, het was rul en zonder al te grote inspanning kon ik er een holletje in maken, waar ik achterstevoren inkroop, ik bedekte de ingang met hooi en sloot deze af met mijn rugzak. Buiten raasde de sneeuwstorm, het was koud en krap. Maar de hooimijt was gastvrijer dan de mensen, en ik viel in een rustige slaap.

Voorwaarts! Almaar voorwaarts ...

Ik wist niet meer welke dag het was, ik raakte de tel kwijt. De omgeving veranderde; ik kwam vaker gehuchten tegen van zo'n tien, twintig huizen, meer omgeploegde velden, minder veengronden en moerassen.
Op een avond belandde ik in een sneeuwstorm. De sneeuw overdekte het pad, en ik kwam slechts met moeite vooruit, zodat ik mij afvroeg of ik over voldoende krachten beschikte om de hele nacht door te lopen, of dat ik zou omkomen van de kou. Misschien moest ik met behulp van mijn bijl een schuilplaats van sparrentakken maken en die dicht laten sneeuwen?

Opeens zag ik een veld, en daar middenin een afdakje met hooi. Oef! Gered! Ik kroop in het hooi. Maar wat was dat? Een vers sleespoor! Iemand was nog maar kort tevoren hiervandaan met een slee hooi vertrokken. Als hij vlak voor de nacht was gaan rijden, betekende dat, dat hij dichtbij woonde. Ik besloot het risico te nemen het spoor te volgen voordat het was dichtgesneeuwd, zo graag wilde ik een dak boven mijn hoofd, en warmte! Hier had ik weliswaar ook een dak, maar dat leunde op vier palen, en daaronder had de wind vrij spel.

En ik dacht er niet over na dat het beter is één vogel in de hand te hebben, dan tien in de lucht! (in het Russisch: 'liever een koolmees in de hand dan een kraanvogel in de lucht', ms)

... komen meestal uit


Een jaar later hoorde ik in de gevangenis van Narymsk dat Syroeblenko niet lang na mijn vertrek tyfus had gekregen en was overleden.

De jongens hadden de kist met zijn lichaam naar het kerkhof gesleept, naar het deel waar veel landgenoten uit Bessarabië hun definitieve 'inschrijving' hadden gekregen, maar het was hen niet gelukt hem te begraven ...

Sombere voorgevoelens ...

Daar zaten Grigori Syroeblenko en ik met zijn tweeën. Zijn vrouw en kinderen sliepen. Ik was bevangen door de warmte (die zeer relatief was, in werkelijkheid was het vreselijk koud in de barak), ik had afgrijselijke slaap, maar ik voelde eindeloos veel medelijden met Syroeblenko, en ik luisterde met medeleven naar zijn woorden, het was alsof hij ijlde.

'Ik weet dat ik spoedig, heel spoedig, zal sterven. Als ik slaap droom ik steeds hetzelfde. Alsof ik in een kuil of in een kelder val ... Ik word bedolven onder houten planken en aarde. Als ik wakker word zit er aan mijn voeteneind een witte figuur. Dat is de dood die mij komt halen.

zondag 16 mei 2010

De barak van de Bessarabiërs

De zon ging al onder, toen een nauwelijks zichtbaar paadje mij op de doorgaande weg bracht. Achter berkentoppen zag ik daken, waarboven verleidelijk rookwolkjes kringelden. Ik hield mijn pas in en keek om mij heen: was het de moeite waard om ergens om onderdak voor de nacht te vragen of zou het beter zijn om een of andere schuur op te zoeken en daarin te overnachten? Het dorp leek groot. Waarschijnlijk stikte het hier van de NKVD'ers. 's Avonds iets te eten vinden zou sowieso niet lukken. Morgenochtend daarentegen, kon ik wel werk vinden in ruil voor wat aardappelen! Maar het vroor dat het kraakte en tegen de ochtend kon de vorst zakken naar min 20, of nog lager!
En terwijl ik daar stond te twijfelen, viel mijn blik op een verbleekt spandoek met de tekst: 'Vorosjilov Kolchoze'. Vele kolchozen waren opgedragen aan Vorosjilov, maar om de een of andere reden scheen het mij toe dat het juist deze was, waar de Bessarabiërs naartoe waren gestuurd toen zij van de boot gehaald waren - destijds, toen wij over de Ob vervoerd werden. Ook mijn goede kennis, landbouwexpert Syrboelenko was met zijn gezin naar een Vorosjilovkolchoze gestuurd. Misschien wel naar deze?

"Wonen in uw kolchoze ook Bessarabiërs?" vroeg ik bij het eerste het beste huis.
"Ja, dat klopt, de nietsnutten! Maar niet in deze kolchoz, maar in die daarginds, achter de omheining van het dorp, in een schuur aan de rand van het bos.
Inderdaad was iets van de weg af achter de wei een half in elkaar gezakte schuur zichtbaar, waar de sneeuw bijna tot aan het dak reikte. Zo bevond ik mij volkomen onverwachts temidden van mijn landgenoten. En toen bleek dat het Paaszaterdag was, zodat ik Pasen 'onder ons' kon vieren. Mijn God, wat was dat een treurige Paasavond!
Eerst kwamen alle Bessarabiërs die daar woonden bij elkaar: slechts 32 man, inclusief kinderen. Maar al snel zocht eenieder zijn eigen hoekje op, om te proberen in slaap te vallen voordat alle warmte van het snel afkoelende ijzeren kacheltje was verwaaid. Wij, het gezin Syroeblenko en ik, bleven achter. Ze waren het wel en ze waren het niet. Ik zag nergens het vrolijke, levenslustige vrouwtje dat altijd uit volle borst vrolijke liedjes zong; in de stille, verschrikte jongens die zich verlegen tegen hun vader aandrukten, kon ik met geen mogelijkheid de beide 'dokters Faust' herkennen, die altijd tegelijk spraken en de meest onmogelijke pyrotechnische en chemische experimenten uitvoerden.
Maar het allermoeilijkste was het om naar Grisja Syrboelenko zelf te kijken. Was dit die vrolijke, scherpzinnige gesprekspartner vol grappen en anekdotes, maar nu verouderde, door verdriet aangeslagen en verwarde man, die voortdurend naar zijn hoofd greep ... Nee, deze man kwam mij totaal onbekend voor!
"Zegt u mij, Eufrosinia Antonovna, is dit werkelijk de sovjetmacht, waarvoor ik mij zo hartstochtelijk heb ingezet, uit naam waarvan ik heb gestreden? Nee, er is sprake van een of andere vreselijke vergissing ... Ik hoop, dat de mensen dat ooit zullen begrijpen, maar ik zal het niet meer meemaken.
De kinderen huiverden en drukten zich tegen hun vader aan. Zijn vrouw probeerde de stemming wat te verbeteren: "Weet u, Frosja, het is Paasavond. De Vasten is voorbij. Helaas! Het enige wat we hebben zijn twee aardappeltjes en een handjevol geplette haver.

Terwijl dit 'Paasmaal' op stond, zaten wij zachtjes te praten. Rondom ons sliep iedereen, want honger is makkelijker te verdragen als je slaapt.
In gedachten ging ik terug naar het jaar 1941. Die Paasnacht, een jaar eerder, had ik in mijn eentje doorgebracht bij papa's graf. Het was vochtig geweest, het rook er naar rottende bladeren, en ik zat daar met mijn handen om het kruis. Toen het vrolijke, triomfantelijke luiden van de klokken mij had bereikt, kuste ik het kruis en fluisterde: 'Christus is opgestaan!' Ik wendde mijn gezicht in de richting van het westen, waar mijn moeder zich bevond, en herhaalde deze oude, hoopvolle groet: 'Christus is opgestaan!'
Had ik er toen aan gedacht waar ik mij een jaar later zou bevinden? Nee, toen dacht ik aan Pasen het jaar daarvoor, in 1940, toen wij verwachtten dat er oorlog zou uitbreken met Hongarije. De toekomst blijkt altijd anders dan wij ons haar voorstellen.
"Kijk eens wat een traktatie!" sprak Fenja Syroeblenko, en zette een vloeibare, ondoorzichtige soep op de oude lade die als tafel dienst deed.
Te oordelen naar de gulzigheid waarmee de kinderen begonnen te eten, was ik niet de enige die deze ratatouille op waarde schatte.

zondag 9 mei 2010

Zwerven is ook een vak!

Opnieuw ben ik aan de wandel. Opa was tevreden over mijn werk: ik had hem een goeie 5 kubieke meter hout gehakt, en er drie berekend: 24 roebel.
Maar het allerbelangrijkste: hij had mij goed te eten gegeven en gaf me gedroogde aardappelen mee voor onderweg. Naar Siberisch recept: kleine aardappeltjes in de schil koken, daarna de schil verwijderen en ze in de niet al te hete kachel leggen. Dan krijg je iets onvoorstelbaar taais, maar eetbaars: op één aardappeltje ter grootte van een hazelnoot kun je twee kilometer lopen!

Mijn ervaring met het verzorgen van kachelhout was me van pas gekomen, en ik zou er nog meermalen gebruik van maken in de dorpjes die op 60-100 kilometer van de Ob lagen. Dichterbij komen was gevaarlijk: in de dichter bevolkte gebieden waren de mensen verwend: veel te wantrouwend en inhalig. Het was beter die dorpen voorbij te lopen zonder stil te blijven staan of vragen te stellen. Bovendien zorgt men 's winters alleen voor kachelhout voor de zomer in bijzonder moerassige gebieden, maar het moeras komt niet tot aan de Ob. Voorlopig liep ik door zo'n achterland, dat je twee, drie etmalen geen levende ziel kon tegenkomen. De weg was zodanig bedekt met sneeuw dat ik er eerder naar moest gissen dan dat ik haar kon voelen, en soms liep ik vast bij een afdak voor hooi dat was gemaaid op de velden en onder dergelijke afdaken was verzameld. Sommige velden waren ingezaaid met haver, en dan kon je heel behoorlijk overnachten in de resten hooi.

zondag 18 april 2010

Een zakelijk voorstel

De taiga is iets anders dan een kruispunt in Moskou. Voorbijgangers zijn zo zeldzaam dat de Siberiërs, in al hun norsheid, bij een ontmoeting niet zonder groeten voorbijlopen. Ik was dus niet verbaasd toen op een keer een oude man die mij inhaalde mij groette met de woorden: "Wees gezond, tantetje."
Het enige wat mij verbaasde, was dat deze opa, die op zijn minst de 60 gepasseerd was, en misschien wel 70 was, mij aansprak met 'tantetje'. Ik was toen 33. Mijn God! Ben ik zo veranderd, dacht ik. Dat zo'n verschrompeld mannetje mij tantetje noemt! Een paar maanden daarvoor immers had niemand mij meer dan 18, 20 jaar gegeven! Maar ik antwoordde zoals het hoort: "Dank voor je vriendelijke woorden! Dat ook jij gezond moge zijn!"
"Waar ga je heen, tantetje?"
"Voorwaarts."
"Nu, als je geen haast hebt, luister dan: ik ben aan één oog blind. En sinds de oorlog tegen de Duitsers kan ik mijn ene been niet meer buigen. En het ergste is nog dat ik bewaker ben. Dag en nacht. Ik kan zelf niet weg, de lente moet nog beginnen, en voor je het weet zit ik van de zomer zonder hout!
Uit de rest van zijn verhaal begreep ik het volgende. In het dorpje zaten geen ballingen, maar vrije mensen, dat wil zeggen dienstplichtigen, en de hele arbeidsbevolking was gemobiliseerd: de mannen voor het leger, de vrouwen voor de bosbouw. Rondom was het nogal moerassig: 's winters kon je per slee overal komen, maar 's zomers moest je van het ene stukje vaste grond naar het andere springen!
"Ik geef je de merrie met de slee mee en mijn kleindochter Njurka: zij weet waar veel droog hout ligt waar hars in zit. Kun je met de spanzaag omgaan?
"Wat dacht je dan? Natuurlijk!"
"Uitstekend! Zorg dat ik een voorraad brandhout krijg, zo'n drie kubieke meter! Ik geef je te eten en betaal je 8 roebel per kubieke meter. Ik kan je geen brood beloven, maar aardappels, tot ze je oren uitkomen!

Ik ging aan de slag. De merrie was van een eerbiedwaardige leeftijd en stond vredig te suffen. Een kreupeler en onnozeler paard had ik van mijn leven niet gezien. Opgerold als een bal, bedekt met een stuk linnen en onder mijn gestreepte rok lag de snotterige, aan scrofulose lijdende kleindochter te slapen. De zaag floot in mijn handen, de bijl beukte het hout, en ik was vrolijk aan het werk.
Voor mij lag de eindeloze, koude taiga. Voor me lag het volledig onbekende: ik had geen dak boven mijn hoofd en geen brood, maar ik at gebakken aardappelen en werkte zo goed als ik kon, maar ik sloofde me niet uit: de zweep van Chochrin was ver weg!

zondag 11 april 2010

Mijn dagelijkse zorg: niet doodgaan

Ik ga niet elke dag, elke stap van mijn reis beschrijven; zoals een luchtbel opstijgt van de bodem naar de oppervlakte, zo spoedde ik mij instinctief naar het zuiden. Ik had geen plan, en geen doel. Er waren mijn instinct tot zelfbehoud en de voortdurende strijd om te overleven. Ik mocht niet doodvriezen, niet sterven van de honger en niet neervallen van uitputting. En ik moest er ook nog voor zorgen niet in de klauwen van de vijand te vallen. Lange tijd waren honger, kou en vermoeidheid mijn constante metgezellen. Het moeten wel hele sterke zenuwen zijn geweest die mij gered hebben: ik kende twijfel noch angst.

zondag 4 april 2010

Parabel

"Als je die weg afloopt, kom je in Parabel terecht. Daar is het zondag jaarmarkt," zei de goede vrouw tegen mij bij het afscheid. Tegen zonsopgang, toen ze zich gereed maakte om met de beide jongens aan het werk te gaan, had ze mij een handvol aardappelschil en voederbiet gegeven (een groente die ik nog nooit gezien had: hij zag eruit als een knolraap, maar dan een stuk groter, en hij smaakte naar iets wat het midden hield tussen knolraap en koolrabi). Nadat ik die gekoken en opgegeten had, ging ik naar buiten, de ijskoude ochtendstond tegemoet. Mijn hele lichaam deed pijn van vermoeidheid, ik was duizelig, zo slap was ik, en ik had een weeïg gevoel in mijn maag van de honger. Maar ik was in een opgewekte stemming. De Ob had ik achter mij gelaten, en voor me lag Parabel.
Een vreemde naam ... Zou die iets te maken hebben met een parabellum? Of met het gezegde: 'Si vis pacem, para bellum*? Of zou het van het Duitse Parabel komen, een bijbelse spreuk?
Wat maakt het uit? Daar is het jaarmarkt, daar zullen levensmiddelen zijn: melk, vis, vlees, kaas ...
Overdags scheen de zon fel, en rustte ik goed uit bij een hooimijt in de sneeuw, de hele nacht lang stapte ik voort, zo nu en dan de route controlerend aan de hand van de sterren, en de gedachte over wat ik op de jaarmarkt zou komen hielp me te vechten tegen mijn vermoeidheid. En zie, daar was eindelijk Parabel!

Dat was een groot dorp, het moet gezegd worden, dat zo te zien ooit rijk was geweest. De huizen hadden twee verdiepingen met galerijen en balkonnetjes en dakkapellen. Veel versieringen van houtsnijwerk, zij het wat vervallen. Sporen van verf. Weidse binnenplaatsen, mooie omheiningen, trottoirs van vlonders. Geraniums in de vensters, fuchsia's, godijntjes. Een recht, brede straat, - de Marktstraat. En kijk, daar was ook de jaarmarkt, een grote, omheinde plaats met scheepskisten. Maar wat verkochten ze, verdorie?
Overal, bij de scheepskisten en gewoon op het plein, stonden en zaten oude vrouwtjes. Op doeken lagen een soort irissnoepjes uitgespreid: groene, bruine, gele. En niets anders dan dat!
Hoe duur is dat, vroeg ik aarzelend in de hoop uit het antwoord te kunnen opmaken wat dit voor koopwaar was.
Neem mee, neem mee, liefje, neem maar mee, kindje. Je zult er geen spijt van krijgen. De allerbeste hars,larikshars.
Ik deinsde terug, alsof ik een tik op mijn neus had gekregen ...
Hars! Als iets mijn afkeer kon opwekken, was het wel de Siberische gewoonte om op larikshars te kauwen! Daar kauwt echt iedereen op. En niet alleen maar kauwen, ook pruimen en uitspugen. Ze zeggen dat het helpt je hongergevoel te bestrijden. Misschien wel ... Maar wat stemde het mij treurig om te zien hoe de vrouwen daar zaten, verwarmd door de zon, op de aarden wal, met gelukzalig dichtgeknepen ogen, te kauwen, pruimen en spugen, terwijl ze ondertussen de meest weerzinwekkende geluiden uitstootten!
Ziedaar de jaarmarkt! Maar ooit was hier veel vee geweest, vis, honing en vlas.

* Als je vrede wilt, bereid je dan voor op de oorlog. (Latijn)

zondag 7 februari 2010

Waar ik uit de taiga tevoorschijn kwam


Ik herinner me dat de ochtend aanbrak. De derde, de vierde? De koortsdromen hadden mij verlaten, en voor het eerst keek ik bewust om mij heen.
Ik liep het bos uit. Het was al licht, tien uur in de ochtend (papa's horloge tikte vreedzaam achter mijn revers: ik moest het eens per week opwinden). Voor mij strekte zich een lege ruimte uit. Een ijzige mist. Wat was dit? Een open plek in het bos? Zulke grote open plekken had je hier niet. Een moeras? Een moeras werd voorafgegaan door armetierige loofbomen. Een meer? Een rivier? Het moest wel een rivier zijn. De wilgentakken aan de oever hingen vol pakijs. Een rivier dus. Welke? De Ob? De Jenisej? De grote Siberische rivieren stromen naar het noorden. De wilgentakken waren door het ijs naar rechts geduwd. Rechts was het noorden; ik stond op de rechteroever. Dus dit was de Ob. Als het de Jenisej was geweest, waren de wilgentakken naar links geduwd. Ja, dit was de Ob. Ik moest naar het zuiden lopen. Over de linkeroever, dus.

Waarom ik per se over de linkeroever moest lopen? Daar waren meerdere redenen voor. De linkeroever lag hoger dan de rechter, dus daar waren minder moerassen. Ik moest niet langs de oever zelf lopen, maar ernaast, ietsje verderop, door de wildernis. Langs de oever liep de weg, lagen gehuchtjes, en dientengevolge was overal: de NKVD. Bovendien: een grote rivier als de Ob was een serieuze hindernis, die ik maar beter kon nemen als ik nog over het ijs kon lopen. Maar waarom zou ik eromheen draaien? Op de rechteroever was Chochrin! God zegene de greep! En ik stapte op het ijs.
De zon was niet te zien en al spoedig ging de oever schuil in de mist. Er was geen wind. Onder de sneeuw lag geen pakijs. Geen enkel oriënteringspunt! Liep ik misschien langs de rivier? Liep ik misschien in kringetjes? Stap voor stap, uur na uur, en ik zag geen hand voor ogen. Een witte nevel van vaalwitte bevroren mist. Een brandende, kwellende dorst. De schrale giften van meelevende vrouwen had ik allang geleden opgegeten. Ik wist niet eens meer wanneer. De koorts, de ijldromen die mij hadden opgezweept, waren ten teinde. Het enige wat restte was een grenzeloze, eindeloze zwakte. En de wil om te leven.
En daarom bleef ik doorlopen.
Het begon te schemeren. De mist werd dunner. Er verschenen sterren. En ... de oever!

Daarboven, alsof zij zweeft in de hoogte. Een weg slingert naar beneden, naar de rivier. Ik scherp mijn blik en zie een wak. En nog een, en nog een. Daaruit wordt water geput.
Hoera! Vlakbij is een dorp! Ik ben gered!

zondag 31 januari 2010

De oceaan over

En zo had ik mij in de oceaan gestort. Aanvankelijk werd ik gedreven door die ene wanhopige gedachte: niet sterven voor de ogen van Chochrin! Ik liep naar het oosten (de maan kwam op aan de kant van de Soejga, achter mijn rug). En vervolgens ... Ik moet bekennen dat ik mij ook nu nog uitstekend herinner wat en hoe ik het gedaan heb, maar ik vind het moeilijk te zeggen waarom en waarvoor. Op het moment dat ik over het zwarte wak heenstapte, was ik niet op zoek naar de dood; en toen ik het gevoel had dat mama's hand mijn haar aanraakte en ik mij de woorden van de oude Kravtsjenko voor de geest haalde: 'Iemand bidt heel vurig voor jou!' ontwaakte in mij de wens om te vechten voor mijn leven, en voor de overwinning. Maar het was allemaal niet bewust. En al klinkt het raar, misschien hielp het feit dat ik koorts had en ik in halfbewusteloze toestand voortliep.

Wanneer en waarom ik afsloeg in westelijke richting, weet ik niet meer. Waarschijnlijk omdat de wind uit het oosten kwam, en het makkelijker was voor mij om met de wind in de rug te lopen. Dat jaar, in de winter van 1941-9142, lag er volgens de oude bewoners zeldzaam weinig sneeuw: slechts een centimeter of zestig.
"Jullie Bessarabiërs hebben geluk," lachten de Siberiërs en vertelden over sneeuwhoogten van twee meter. Voor een vluchteling die geen ski's had, was dit inderdaad een meevaller. Bovendien had zich, zoals gebruikelijk aan het eind van de winter, al een vrij compacte sneeuwkorst gevormd, zodat op sommige plaatsen de sneeuwlaag een uitgemergeld wezen als ik wel kon houden. Natuurlijk niet in de wildernis, waar de sneeuw rul was, maar aan de rand van het bos en bij rivierbeddingen, waar de wind de sneeuw weg had geblazen.

Ik koos de makkelijkste weg, langs rivierbeddingen, die daar, in het gebied tussen Ob en de Jenisej waar het terrein omhaag gaat, allemaal naar het westen stromen. Maar denk niet dat het allemaal vanzelf ging, als tijdens een wandelvakantie. Verre van dat! De bevroren riviertjes, waar maar heel weinig water in zat, lagen vol rotzooi, omgewaaide bomen en drijfhout, en daaronder lagen complete boomstammen die halsoverkop in het water waren gestort. Soms blokkeerden ze de hele bedding. Op andere punten verbreedde de rivier zich tot een meer of een moeras zodat ik de bedding niet meer kon volgen en baande ik mij een weg dwars door de wildernis over de boomstammen.
De weg was verschrikkelijk; niet voor niets vergelijkt men de taiga wel met de zee en wordt er gezegd: wie niet in de taiga is geweest heeft nog nooit tot God gebeden.
Waarom ik in die hopeloze dagen nooit angst of wanhoop voelde? Het was alsof ik al een punt gepasseerd was, waar alle lijden irreëel wordt. Niet het fysieke, maar het psychologische lijden, waartoe ook de wanhoop behoort.
Waar ik de kracht vandaan haalde om door te gaan?
Als ik aan het eind van mijn krachten ging liggen, ingegraven in de sneeuw, voelde ik voortdurend dat de Dood heel dicht in mijn buurt de wacht hield. Waarschijnlijk dwong dit mij om wakker te worden, op momenten dat ik mij op het randje van de eeuwige slaap bevond.
Wat gaf mij de kracht om op te staan en verder te gaan?
Ze zeggen dat de allerergste morele kwelling die van de hoop is; aan de andere kant: zonder hoop is er geen leven. Ik heb het idee dat ik dacht: ik moet nergens op hopen, maar proberen kan altijd.
Heel veel later, toen ik mij al in gevangenschap bevond, ten tijde van eindeloze ondervragingen, probeerde ik te achterhalen: wie gaf mij raad, wie leidde mij in mijn daden, wie maakte mij bekend met de omgeving, waar ik mijn weg doorheen moest vinden? En toen kwam ik erachter dat ik van de enige kans op redding gebruik had gemaakt!
1) Ik ging op pad op 28 (of 26) februari, toen de ergste vorstperiode al achter de rug was, maar aan de andere kant het moeras nog niet gevaarlijk was, omdat het mos en groen dat deze onder de sneeuw bedekte, weliswaar al week was, maar het gewicht van een mens nog wel hielden, terwijl de zogeheten 'ramen' nog bedekt waren met ijs.
2) Ik liep rechtstreeks naar het westen, zonder af te buigen naar het noorden of het zuiden, waar hout gekapt werd, en men mij had kunnen opmerken en aanhouden. Als ik ergens was afgeslagen had ik in nog geen drie etmalen de Ob bereikt. Daar is de afstand hemelsbreed 150 kilometer.

Het is onbegrijpelijk hoe ik erin geslaagd ben de Grote Verschroeide Vlakte over te komen. Ik had er verhalen over gehoord. Het is een soort legende. Ik zal vertellen wat ik erover weet. Aan het begin van de vorige eeuw tijdens een droge zomer woedde er een grote bosbrand. Naar men zegt had een man uit jaloezie het huisje van zijn broer in brand gestoken, waarbij hij zelf ook om het leven kwam. Bovendien verbrandde een stuk taiga van 250 bij 130 werst. Of het nu kwam door de vervloeking van Kain of door iets anders, maar loofbomen wilden er niet meer groeien, en de dennen die vroeger het hele oppervlak hadden bedekt, wilden niet vergaan. Langzaam maar zeker veranderde het hele gebied in een eindeloos moeras: er monden 300 riviertjes in uit, en niet één ontspringt er. De zwartgeblakerde boomstronken staan er nog steeds. En elk groepje boomstronken doet denken aan mensen die zich niet aan het leven vasthouden, maar aan de dood. Geen wild dier dat ernaartoe rent, geen vogel die zich er waagt, en de mens heeft er al heel lang niets meer te zoeken. En wanneer hij er toevallig verzeild raakt, keert hij niet meer terug.
Maar dit alles vernam ik veel en veel later, voorlopig liep ik al meer dan een etmaal over het pokdalige ijs, en rondom mij bewogen vreemde zwarte figuren: geen dieren, maar ook geen mensen.
Ze deden nog het meest denken aan worstelende naakte negers. Ik begreep wel dat het verschroeide boomstronken waren, knoesten, stammen. Maar de illusie was totaal. Als ik stilstond en nauwlettend keek, waren het zwartgeblakerde boomstronken; maar als ik mij bewoog, kwam ook zij in beweging, verstrengelden hun handen en bogen zich voorover in een geluidloos gevecht.
Bovendien scheen het mij toe, dat ik niet alleen was: iemand liep achter mij aan en fluisterde mij iets heel belangrijks toe. Maar zodra ik erop begon te letten, hoorde ik het gefluister niet meer. In mijn ooghoek zag ik vaag een wazige figuur, die achter mij aanliep, maar als ik mij met een ruk omdraaide, was er niemand.
Je zou denken dat ik het bestierf van angst. Maar ik vond het absoluut niet eng.
Integendeel, ik had het idee dat ik van buitenaf naar die meelijkwekkende figuur keek die in haar eentje over de Grote Verschroeide Vlakte dwaalde. Waarheen? Ja, wie zal het zeggen: waarheen?

woensdag 13 januari 2010

Had ik al eerder gedacht aan vluchten?

Ja, dat wil zeggen, al op de eerste dag van mijn gevangenschap, in de treinwagon op het station van Floresjta, toen ik bij zonsondergang naar het riet keek dat langs de oever van de Reoeta groeide. Destijds had ik de gedachte weggeduwd op grond van de volgende overwegingen:
1) Alleen al het idee om mij te verbergen had ik minachtend verworpen en ik had mij vrijwillig bij de NKVD gemeld.
2) Elke verandering moet een verbetering zijn, een verslechtering is gewoonweg ondenkbaar!
3) Het stuitte mij tegen de borst om mijn heil in het buitenland te zoeken, bij de vijanden van mijn geboorteland.

De tweede keer dat ik aan vluchten dacht, was toen de trein door de Oeral reed. Het was nacht. Overal bos. Ik hoefde alleen maar een plank uit de vloer los te trekken. Maar opnieuw waren het eerdergenoemde overwegingen die mij tegenhielden, plus nog een extra: als een van de passagiers uit de veewagon ontsnapte, kregen alle anderen het op hun brood.

De derde keer dat ik erover nadacht, en dat keer heel serieus, was in Gornaja Sjoria: bergen, bossen en rivieren - allemaal belemmeringen, maar geenszins onoverkomelijke. Bovendien genoten wij daar een zekere mate van vrijheid. Heel beperkt, maar toch, vrijheid! Maar wij werden daar letterlijk na een paar dagen opgehaald, om - zoals wij dachten - teruggebracht te worden naar Bessarabië.

En daarna, toen we al in het Noorden waren, scheen het mij toe dat het de moeite waard was om op z'n minst te proberen naar eer en geweten te werken, om te zien hoe het allemaal zou lopen. En verder kan ik nieuwsgierigen aanraden om Victor Hugo te lezen over het lijden van de mens die zich in drijfzand bevindt dat hem steeds verder naar beneden zuigt. Zou hij niet tot elke prijs willen ontkomen aan de dodelijke omhelzing van de drassige bodem? Zou hij niet veel liever dan deze verschrikking, in de open oceaan zwemmen, zelfs zonder de hoop overkant te bereiken?

zaterdag 2 januari 2010

Op de vlucht

Het was donker. Als zwarte schaduwen snelden de mensen naar de kantine, het winkeltje. De sneeuw kraakte onder hun viltlaarzen, en ze renden zo hard mogelijk. De kolchozebarak stond afgezonderd; een paar stappen en ik was bij de oever van het riviertje de Soejga. Een steile helling en het witte lint van de rivier die met sneeuw was bedekt. Daarachter een rij donkere wakken. De Soeiga is een diepe, snelstromende rivier.

Een wak ... Daar eindigt de macht van Chochrin. Daar ligt het eind van alle kwellingen, het eind van de pesterijen. Het eind aan alles. Ik trok mijn rugzak af, stapte naar de rand van het wak en wierp er een blik in. Ik was ervan overtuigd geweest dat hier, net als in de Dnjestr, het water direct onder het ijs stroomde. Ik had er geen rekening mee gehouden dat het water van bosriviertjes als de Soeiga 's winters sterk afneemt, en dat het ijs door zijn dikte langzamer naar beneden zakt. Het wateroppervlak lag een stuk onder het ijs. Hoe het ook zij, als ik toch al besloten had te springen, moest ik niet langer mijn tijd te verdoen met kijken. Ik boog me voorover boven het wak, en ergens, uit de diepte, keek het zwarte water mij aan, murmelend in kronkelende draaikolken, stromend als de Styx - de rivier van het onderaardse rijk.
Ik werd bevangen door een onbegrijpelijke angst. Ik liep naar voren, stapte over het wak heen en zette het op een rennen, de rivier over, mijn rugzak over het ijs sleurend, zo ver mogelijk weg van die afgrijselijke Styx, wiens gemurmel mij als het ware achtervolgde.
Nadat ik omhoog was geklommen op de andere, even steile, oever, viel ik zwaar ademend, uitgeput op mijn knieën.
Mijn God, fluisterde ik, mijn handen gevouwen als in mijn jeugd voor het gebed. Kunt u mij wijzen wat ik moet doen? En, wat er ook gebeurt, Uw wil geschiede!

En het was alsof ik de woorden van Kravtsjenko hoorde: "Iemand bidt voor je Frosja, heel hard!" Maar wie dan?
En ik voelde als het ware een liefkozende hand door mijn haar gaan. Mama! Levend of dood, maar haar ziel was bij mij, en het was alsof het gebed mij in die kritieke momenten van mijn leven kracht gaf. Maar misschien was het ook mijn vader, wiens voorbeeld voor mij altijd het beste kompas was geweest.

Ik keek nog een keer in de richting van de Soejga. De wind wakkerde aan. Een sneeuwstorm stak op en vormde een witachtige mist voor de rijen huisjes en barakken. Het dorp was in duisternis gehuld, alleen het raam van het kantoor gaf licht, als het oog van een Cycloop die niet slaapt maar op nieuwe streken zint tegen de ongelukkige mensen die aan zijn grillen zijn onderworpen. Boven de Soejga snelde de maan in zo'n tempo langs de wolken, dat mijn verzwakte hoofd begon te tollen en ik sloeg mijn ogen neer. Mijn blik viel op het zwarte wak.
Ik sprong overeind, trok mijn muts ver over mijn oren, greep mijn rugzak en keerde de Soejga de rug toe, om haar nooit, nooit meer te zien. Voor mij lag de tajga. Donker, angstaanjagend, onbekend, vijandig. Voor mij lag, vermoedelijk, de dood; achter mij een zekere dood.
De dood - in slavernij. De dood - in vrijheid.
De teerling is geworpen. Ik had mijn keus gemaakt. Voor mij opende zich de eerste bladzijde van een nieuw boek. En ik wist niet, wat daarop geschreven zou worden ...

vrijdag 1 januari 2010

Geboorte in de trein - "Kinderen zijn onze rijkdom"

Wat heb ik onthouden van het eerste etmaal in onvrijheid? Twee gebeurtenissen. De eerste: de geboorte van een kind in de naastgelegen wagon no. 39 (wij zaten in de laatste, nummer 40). De tweede. Ik zou niet weten hoe ik die moet noemen. Selectie? Scheiding? Het uiteenrukken van gezinnen? In elk geval iets in de geest van de scènes die Harriet Beecher Stowe beschrijft in 'De negerhut van oom Tom' als zwarte families in delen verkocht worden. Alleen ging het hier niet om zwarten. En was het nu de twintigste eeuw.
Ik zal beide gebeurtenissen beschrijven.

Een soldaat ging alle wagons langs op zoek naar een dokter. Er waren ongetwijfeld artsen onder ons, maar eenieder hoopte: 'Wie weet laten ze mij wel gaan'. En geen van hen wenste zichzelf te zien in de positie van 'treindokter'. Toen ik zag dat niemand reageerde zei ik dat ik als dierenartsassistente in geval van nood en als er geen betere gekwalificeerd iemand voorhanden was ook wel een mens zou kunnen bijstaan. Ze namen me mee. Ik hoefde niet ver te lopen: de hulp was nodig in de wagon naast de onze.
Wat had onze wagon geboft! Wij hadden maar zes kinderen, en de jongste was al zes jaar oud. Ook waren er bij ons geen zieken, op twee oude vrouwtjes na. De wagon naast de onze was een nachtmerrie. Ze hadden er alleen al 18 kinderen! En in een hoekje van die hel werd een meisje geboren. Het dertiende kind van een ongelukkige, doodsbange vrouw. Haar man was gendarme en was naar Roemenië gevlucht. De hele familie van zo'n deserteur moest gedeporteerd worden. De kinderen waren uitgeput, mager, in lompen. De oudste jongen was een jaar of 14, 15. Duidelijk niet helemaal goed bij zijn hoofd: een openstaande mond waaruit het speeksel naar buiten stroomde, een nietsziende blik, onsamenhangend taalgebruik ...
Wie haalde het in zijn hoofd om een zwangere vrouw met zo'n bende kinderen in ballingschap te sturen? En zie: de eerste de beste avond moest ze bevallen. Te zien aan de nagels van de boreling ging het om een vroeggeboorte. De moederkoek liet niet los, de baarmoeder trok niet samen, en de vrouw dreigde dood te bloeden. Het was noodzakelijk om door middel van massage de moederkoek los te krijgen en het bloed uit de baarmoeder te stelpen volgens de methode van Credé.
Ik zei dat ik het niet af kon zonder arts. Terwijl ik probeerde de vrouw te helpen, kwam er uit een van de wagons een arts tevoorschijn, een Jood, Lifschits genaamd, en met kunst- en vliegwerk redden we het met z'n tweeën.

Pas laat in de nacht keerde ik terug naar mijn eigen wagon, en kon de slaap niet vatten tot in de vroege ochtend. En dat was niet omdat het moeilijk was om in slaap te vallen onder het gesteun en gekreun van een vernederde kudde mensen die opeengestapeld lag in een veel te kleine, smerige wagon, maar vanwege de kwellende nachtmerrie die ik in de naburige wagon had aanschouwd. Nee, de menselijke ratio weigerde dit te begrijpen. Oké, mij mochten ze verbannen. Misschien was ik hun een doorn in het oog. Misschien hadden ze inderdaad last van mij gehad. Maar waarom een zwangere vrouw met een hele kudde halfdode kinderen die zelfs geen schoon ondergoed bezat? En dat vlak voor de bevalling!
Hoe vaak nog zou ik mij bij het zien van dergelijke taferelen niet kunnen losmaken van de gedachte dat de dood bij lange na niet de wreedste uitweg uit een situatie is.

zondag 27 december 2009

De uittocht oftewel de kwelling der schaamte - 1941

Op dit moment weet ik niet meer hoe ik in de wagon terecht ben gekomen. Ik herinner me de mensenmassa, de soldaten, het geschreeuw, getrap en geduw in de wagon, propvol verloren en gepijnigde mensen.
En de stralende zonsondergang. Zo vredig en normaal, dat ik gewoon niet kon geloven dat de "onverschillige natuur met haar eeuwige schoonheid kon stralen", terwijl mannen, vrouwen en kinderen, hun bezittingen omklemmend, naast elkaar in een veewagon lagen, met een gat in de muur waarin een houten pijp is bevestigd die onze eerste kwelling zal vormen, erger dan honger of dorst, aangezien wij ons pijnlijk zullen schamen om voor ieders ogen gebruik te maken van deze plee. De kwelling der schaamte is onze eerste kwelling. Hoeveel meer staat er ons nog te wachten! De mens kan bijzonder vindingrijk zijn als het gaat om het bespotten van zijn soortgenoten!

Nog een etmaal lang bleven wij staan op een zijspoor bij ons station Floresjta. Het riet ruiste nog steeds langs de Reoeta, die vlak langs de spoordijk stroomde, het water schitterde nog steeds op dezelfde manier, dezelfde vertrouwde witte lemen huisjes stonden her en der verspreid aan de overzijde met hun gezicht naar het oosten, nog steeds dezelfde bekende lage muurtjes van platte stenen die aan de zijkant rond aflopen, dezelfde pruimen- en kersenbomen, en zeldzamer - de appel-, kweeperen- en abrikozenbomen; en nog altijd dezelfde waterputten met kraanvogels die in groepjes van twee of drie in de valleien staan. Toch is dit allemaal als het ware al niet meer vertrouwd ...

donderdag 24 december 2009

Waarom ging ik naar het kerkhof? 24 december 1941

Een week voor Oud en Nieuw, de vierentwintigste december, was het mijn verjaardag. Lara Titarjova had erop gestaan dat ik die bij hen zou komen vieren, temeer omdat ik zojuist mijn paspoort had gekregen en ik, naïef als ik was, ervan uitging, dat als ze mij een paspoort gaven, ze mij erkenden als Sovjetburgeres, en dat dan alles van een leien dakje zou gaan. Ik ging van huis op weg naar de Titarjovs, liep tot het winkeltje van Aron La sapte giste (Bij de zeven ganzen), en sloeg daar niet rechtsaf, maar ging naar links, zonder zelf te weten waarheen. Er lag een flinke laag sneeuw, het sneeuwde nog steeds, alles was wit. Er was geen weg te zien, daar kwam de sneeuw tot mijn enkels, in het veld tot aan mijn knieën. Ik was bijna buiten de stad: rechts van mij lag de gevangenis, links het kerkhof, voor mij waren nog een paar eenvoudige huisjes, daarachter begon de steppe. En de nacht.

Ik weet zelf niet meer hoe ik op het kerkhof terecht kwam. Het enige wat ik weet is dat ik van kruis naar kruis zwierf, van het ene gedenkteken naar het andere, wegzakkend in de sneeuw.

Tijdens mijn schooljaren was het de 24ste Kerstavond, dan begon de vakantie, en op die dag ging ik naar huis. Wat was ik dan altijd blij geweest! De paarden, Vasjka en Antosjka, liepen in een brede draf, de slee gleed achter hen aan, en ik tuurde in het donker en probeerde de silhouetten van de grote eiken te ontwaren.
Daar was het huis! Klein, gezellig, alle ramen verlicht, mama en papa die op mij zaten te wachten: "Gefeliciteerd kindje! Welkom thuis!"

... Kruisen en graven alom. Door al het wit kun je geen hand voor ogen zien. Ik struikel over de grafheuveltjes. Nergens licht achter een vertrouwd raam. Niemand die op mij wacht.

Toeval?
Vele jaren waren voorbij gegaan. Mama en ik waren weer bij elkaar. En toen vertelde ze mij hoe zij die 24ste december 1941 in Boekarest had doorgebracht ... De Roemenen vieren Kerst volgens de nieuwe kalender. Bij hen was het Kerstavond.
"Sida en haar zus Mari Tsjoentoe waren bij hun nicht Florika Rakovets op bezoek. Er stond een kerstboom, en alles wat erbij hoort. Ze hadden me meermalen uitgenodigd, maar ik kon het niet, ik kon het niet. Het was allemaal zo verdrietig. Waar was jij? Hoe ging het met je? Ik verlangde zo naar je! Ik kon het thuis niet uithouden, deed mijn jas aan en ging naar buiten. Waarheen? Dat wist ik niet. Ik weet niet meer hoe ik op het kerkhof terecht kwam. Het sneeuwde, en alle paden waren wit. Ik struikelde en viel, ik raakte doorweekt, van top tot teen. Verkleumd kwam ik thuis. Ik kleedde me uit en ging op bed liggen. Plotseling ging de telefoon. Het was Michaj: "Ik heb een brief voor u!" Die brief was van jou. Mijn eerste en laatste vreugde. Was dat niet toevallig?"

Het jaar dat het noodlot toesloeg

Het was 1940. In maart had ik de inventaris helemaal afbetaald; de boerderij was nu vrij van schulden en bloeide en groeide. De maand juni was aangebroken.
Op 27 juni kwam ik 's avonds van het veld, ik was klaar met werken, en ging met mama theedrinken. We deden de lamp niet aan; achter het raam ging de zon brandend onder, mama's favoriete 'verlichting', en wij zaten bij het open raam en dronken zonder enige haast onze thee terwijl we naar de radio luisterden. Negen uur. Het laatste nieuws uit Boekarest. "Uit Londen komt het bericht ... " Eerst ging het over de treurige situatie waarin Frankrijk zich bevond: de Duitsers marcheerden zonder enige merkbare tegenstand naar het zuiden; de Italianen waren de Savoie binnengevallen, maar werden afgeslagen; in Griekenland ...
Tot plotseling de nieuwslezer met dezelfde monotone stem verder ging: "De Sovjet-Unie heeft aanspraak gemaakt op het grondgebied van Bessarabië. Een commissie, bestaande uit de generaals zus en zo is naar Odessa gevlogen voor de regulering van dit vraagstuk ...

Mama had het theekopje bij haar mond. Haar hand begon te beven, en ze liet het kopje met een rinkelend geluid op haar schoteltje neerkomen. Ik herinner me nog haar verbijsterde blik.
"Hoe kan dat nu? Wat moet dit betekenen?"
Tot mij was het bericht kennelijk niet doorgedrongen. Of het leek me een niet serieus te nemen verhaal, de zoveelste 'canard'.
"We zien wel wat ervan komt. Drink je thee nu maar op," zei ik onverstoorbaar.
Het is nu moeilijk voor te stellen dat mijn hart, dat in mijn keel had moeten zitten, geen slag sneller sloeg. Alsof niet nog heel recent de Baltische landen precies hetzelfde was overkomen, alsof we niet allang konden weten waar dit alles op zou uitlopen. Maar een ding stond vast: die avond was de laatste waarop wij zo doodkalm samen aan tafel hadden gezeten.
Wij dronken onze kopjes niet leeg, maar stonden in een bedrukte stemming op van tafel. Mijn moeder was van haar stuk gebracht, maar ik ... Ik had niet de geringste voorstelling van hetgeen ons te wachten stond.
's Nachts reden er aan een stuk door voertuigen met brandende koplampen over de Sorozjkaheuvel. Wij dachten dat het Roemenen waren. Het kwam niet in ons hoofd op dat er over de Boezjerovka rivier een pontonbrug was aangelegd en dat het ging om Sovjettanks en -pantserwagens.
Ik had er geen flauw vermoeden van dat ons leven een scherpe wending had genomen en dat al het gewone, wat onwankelbaar had geleken, al ergens ver achter de horizon was verdwenen!
Toen ik 's ochtends naar het veld vertrok om te gaan ploegen voor de soja, gaf ik mijn moeder een kus en zei: "Als je straks opstaat moet je maar even naar het nieuws luisteren."

woensdag 23 december 2009

1939-1941 Bessarabië - De dood van mijn vader

Vroeger huilde ik nooit. Toen mijn vader stierf - en ik aanbad hem - had ik voor tranen geen tijd: ik moest mijn moeder redden die dodelijk verdrietig was. Ik moest haar niet alleen het leven redden, maar ook haar verstand, omdat ze dat bijna verloor, zo groot was haar verdriet.

Bovendien was Roemenië eerlijk gezegd een middeleeuws land, en toen er opeens een jong meisje aan het hoofd van de familie kwam te staan, stortten de haaien van het dorp zich op haar in de hoop er zelf beter van te worden. Papa was jurist en criminoloog en een gentleman tot in zijn tenen, maar hij was bepaald geen voorbeeldige landeigenaar. Het beheren van het landgoed met al zijn zorgen om de grond en de landarbeiders was mijn taak, en ik was er altijd trots en tevreden over geweest dat hij rustig kon zitten lezen in de chaiselongue in zijn geliefde tuin met mijn moeder in de buurt en zijn lievelingshond aan zijn voeten, temidden van het vredige landschap: de eeuwenoude eiken, de vijver, de tuin, de wijngaard... Ik was er trots op dat ik hem de mogelijkheid kon geven uit te rusten in plaats van als een vis tegen het ijs te slaan: het was niet eenvoudig het landgoed te beheren en uit niets iets te produceren. Wie had er oog voor de moeilijkheden die ik moest oplossen? Papa heerste als een Engelse koning, maar beheren deed hij niet.
Daarentegen genoot hij een onbegrensd krediet bij de lokale rijkaards - graankopers: hij leende zoveel geld als hij nodig had, en betaalde pas terug als de oogst binnen was, dat wil zeggen in het voorjaar.

Mijn vader overleed toen de oogst in volle gang was, en de crediteuren verschenen nog voor zijn lichaam ter aarde besteld was met de schuldpapieren. Maar ze vergisten zich: in plaats van mijn handtekening te zetten onder hun woekerpercentages sloot ik over hun hoofden heen een overeenkomst met de Federale Staatsbank op voorwaarde dat ik graan van de allerhoogste kwaliteit zou leveren voor de export. God alleen weet hoe hard ik daarvoor heb moeten werken!

Maar dat was van later zorg. Mijn vader was nog niet begraven of ik had alle schulden vereffend en daarna heb ik nooit meer geld geleend dat de lokale financiële bonzen me aanboden. Maar om te bewijzen dat ik stevig in mijn schoenen stond moest ik heel wat scherpzinnigheid, snelheid en ijver aan de dag leggen. Ik moest mijn verdriet onderdrukken, voor tranen had ik geen tijd.
160